109. Wacht o mijn ziele wacht op de Heer


Lied 109
1 Wacht, o mijn ziele,
wacht op de Heer.
Wat u ontviele,
Hij nimmermeer.
Wees onversaagd:
’t morgenlicht daagt.
Ziet gij reeds niet
’t hemels verschiet?
Dreigende noden,
heeft niet uw God
hulpe geboden
in ’t hach’lijkst lot?

2 Wacht, o mijn ziele,
wacht op de Heer.
Wat u ontviele,
Hij nimmermeer.
Wie u verliet,
Jezus toch niet.
Nooit is de nood
Jezus te groot.
De eeuwig getrouwe
houdt immer stand;
wie op Hem bouwe,
reikt Hij de hand.

3 Wacht, o mijn ziele,
wacht op de Heer.
Wat u ontviele,
Hij nimmermeer.
Zwijg, bitt’re klacht,
wijk, droeve nacht,
zorgen, verdwijnt –
Jezus verschijnt.
Zalig verblijden,
Jezus, mijn lust,
na ’t korte lijden,
volgt eeuw’ge rust.