‘Vóór Abraham werd, BEN IK’

De Joden dan zeiden tot Hem: U bent nog geen vijftig jaar en hebt U Abraham gezien? Jezus zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: vóór Abraham werd, ben Ik. Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen.

(Johannes 8:57-59)

Het gedeelte van de Schrift dat we nu gaan bespreken, bevat een van de meest directe verklaringen van Christus’ Godheid in de hele Bijbel. Hierin onthult Hij Zijn bestaan van vóór de tijd van Abraham en dat Hij de ‘Ik Ben’ is van de oudtestamentische tijd.

Bovenstaand voorval vindt plaats aan het einde van een scherpe woordenwisseling tussen de Heer Jezus en de Joodse religieuze leiders in hoofdstuk 8 van het Evangelie naar Johannes. De discussie tussen hen en Christus draaide hoofdzakelijk om Abraham (zie vs. 31-59). De vijanden van de Heer maakten er aanspraak op dat de aartsvader hun ‘vader’ was (vs. 39), en zij waren inderdaad zijn biologische nageslacht. Maar zij vervolgden de Heer Jezus en probeerden Hem te doden, en dat is iets wat Abraham nooit gedaan zou hebben (vs. 40).

Daarna spraken de tegenstanders van de Heer op lasterlijke wijze over Zijn oorsprong (vs. 41). In antwoord hierop verklaarde de Heer dat zij niet het geestelijk nageslacht waren van Abraham, maar van de duivel (vs. 42-47). Het gesprek nam een ernstige wending toen zij Christus ervan beschuldigden een demon te hebben (vs. 48-52).1)Het is een opmerkelijk feit dat in het Evangelie van Johannes de Heer Jezus er door Zijn tegenstanders van beschuldigd wordt een demon te hebben (zie 7:20; 8:48-52), maar in dit Evangelie staat nergens opgetekend dat de Heer een demon uitwierp, terwijl de Heer dat in de synoptische Evangeliën steeds weer doet. In antwoord op de uitspraak van de Heer dat iemand die Zijn Woord bewaart, de dood geenszins zal aanschouwen (vs. 51), kwamen de Joden met een vraag: ‘Bent U soms groter dan onze vader Abraham die gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven. Wie maakt U Zichzelf?’ (vs. 53).

En dit was de opmaat tot een van de meest opmerkelijke woordenwisselingen tussen de Heer en Zijn tegenstanders in het hele Nieuwe Testament. De Heer zei: ‘Uw vader Abraham verheugde zich erop dat hij Mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en zich verblijd’ (vs. 56). Sommigen hebben zich afgevraagd wanneer Abraham de dag van Christus gezien heeft. Ongetwijfeld was dat toen hij samen met Izak op de berg Moria was.2)Genesis 22:14 We weten ook uit verschillende verslagen in de Schrift, dat Abraham ook de hemelse stad (Hebr. 11:10) en de ‘God der heerlijkheid’ (Hand. 7:2) gezien heeft! We kunnen er daarom zeker van zijn dat Abraham in zekere mate begrip had van de beloofde komst van het ‘Zaad van de vrouw’ en ernaar uitzag.

De verbazingwekkende uitspraak van de Heer over het feit dat Hij vanouds was en is, en dat Hij er dus eerder was dan Abraham, bracht de Joden ertoe Hem nog verder te ondervragen: hoe kon Hij Abraham gezien hebben terwijl Hij ‘nog geen vijftig jaar’ was? Dan zou Hij meer dan tweeduizend jaar oud moeten zijn in plaats van ergens in de dertig! En toen deed de Heer een uitspraak die beslist een struikelblok was vanwege hun ongeloof: ‘Vóór Abraham werd, ben Ik’ (vs. 58). Hierop probeerden de Joden Hem te stenigen, en deze reactie toont aan dat zij de implicaties van Zijn uitspraak volledig beseften.

Ik geef hier een lang, maar zeer verduidelijkend citaat van de godvrezende en erudiete Bijbelleraar William Kelly:

‘De Heer aarzelde niet om in te gaan op hun uitdaging betreffende Abraham, en liet de Joden weten dat de vader van de gelovigen zich erop verheugde om Zijn dag te zien … en die ook gezien en zich verblijd heeft. Dat was natuurlijk door geloof … maar de Joden vatten het allemaal slechts op fysieke wijze op. Op grond van Zijn jeugdige leeftijd trokken zij de conclusie dat Abraham Hem onmogelijk gezien kon hebben, en daarop volgt de nog ondoorgrondelijker uitspraak: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: vóór Abraham werd, ben Ik”, de Eeuwige.

Er werd gezegd: de goede belijdenis voor de Joden, de waarheid der waarheden, het oneindige geheimenis van Zijn Persoon – dit kennen betekent de ware God en het eeuwige leven kennen, want Hij is beide. Zoals Hij was, zo is Hij, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Zijn menswording veranderde dit op geen enkele manier, maar vormde slechts de mogelijkheid waardoor mensen het konden zien. Hij Die God was, is Mens geworden, en net zoals Hij niet kan ophouden God te zijn, zo zal Hij niet ophouden Mens te zijn. Hij is de Eeuwige, hoewel tegelijk ook een Mens, en heeft het mens-zijn aangenomen in eenheid met Hemzelf, de Zoon, het Woord Dat niet alleen bij God was maar ook God was.

‘Vóór Abraham was (in het Grieks: werd), ben Ik’. Abraham kwam tot bestaan. Jezus is God, en God is. ‘Ik ben’ is de uitdrukking van eeuwig bestaan, van God-zijn. Hij had even terecht kunnen zeggen: ‘Voor Adam was, ben Ik’, maar het ging in de discussie om Abraham. En met de kalme waardigheid die nooit verder gaat dan de waarheid die nodig is, verklaart Hij dit, en niet méér. Maar wat Hij beweert, zou nooit waar kunnen zijn wanneer Hij niet de Eeuwige en Onveranderlijke was, de Ik ben – Hij Die er was en is vóór Adam, de engelen en alle dingen; want Hij was inderdaad Degene Die ze allemaal geschapen heeft. Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is’.3)William Kelly, An Exposition of the Gospel of John, p. 189.

De uitspraak van de Heer Jezus tegen de Joden dat Hij de ‘Ik ben’ was, was een duidelijk getuigenis dat Hij de Jehova uit het Oude Testament is! Niets kan zekerder of eenvoudiger zijn dan dit. De Hebreeuwse woorden voor ‘Ik ben’ zijn verwant met het werkwoord ‘zijn’. Dit werkwoord is ook zeer nauw verwant met het Hebreeuwse woord voor Jehova.4)Zie hoofdstuk 2 uit het boek ‘Jezus is Jehova‘ onder het kopje ‘De Heerser Die geen begin had’ (de eerste alinea) en ook voetnoot 26 van dat hoofdstuk.

Jehova brengt Abraham een bezoek

Daarna verscheen de HEERE aan hem [Abraham] bij de eiken van Mamre, toen hij in de ingang van de tent zat en de dag heet werd. Hij … keek, en zie, er stonden drie mannen voor hem. Toen hij hen zag, liep hij hun snel uit de ingang van de tent tegemoet en boog zich ter aarde. En hij zei: …Laat er toch wat water gebracht worden; was dan uw voeten.

(Genesis 18:1-4)

We hebben al even nagedacht over Christus’ relatie met Abraham, maar vanwege ons onderwerp – de Heer Jezus Christus is Jehova – is het is goed om er uitgebreider op in te gaan, en wel aan de hand van de verschijning van Jehova aan Abraham bij de eiken van Mamre. Dit bezoek van Jehova aan Abraham wordt wel een ‘Christofanie’ genoemd.

‘Christofanie’ is een theologische term die onder andere gebruikt wordt om te verwijzen naar een oudtestamentische verschijning van Christus, dus voor Zijn vleeswording. Deze verschijning is vaak in de vorm van ‘de Engel van de heere’, zoals we bijvoorbeeld gezien hebben in Exodus 3:2, toen Jehova aan Mozes verscheen in de ‘brandende braamstruik’. Het woord is afgeleid van de Griekse woorden Christos (Christus) en phaino (verschijnen of schijnen).5)Een andere term die soms gebruikt wordt in plaats van ‘christofanie’ is ‘theofanie’. Maar sommige theologen gebruiken ‘theofanie’ om een algemenere manifestatie van God te omschrijven, bijvoorbeeld toen God aan Job verscheen in ‘een storm’ (Job 38:1) of aan Mozes op de berg Sinaï (Ex. 34:5; terwijl een ‘christofanie’ meer een bepaalde manifestatie is van Christus vóór Zijn vleeswording.

Bovenstaand verhaal ontvouwt zich als volgt. Terwijl Abraham in de ingang van zijn tent zit bij de eiken van Mamre, verschijnen er ‘drie mannen’ aan hem. Een van de ‘mannen’ is Jehova Zelf, en de andere twee zijn engelen die uiteindelijk verder zullen gaan op hun missie om Sodom te verwoesten en Lot te redden (19:1). Wat een tafereel, waarin we Jehova en de twee engelen zien als de voorwerpen van Abrahams eerbiedige gastvrijheid na de ontmoeting bij de ingang van de tent! Hij zorgt voor ‘wat water’ zodat zij hun voeten kunnen wassen en kunnen uitrusten onder de boom. Hoe kostbaar om Jehova te zien in deze nederige omstandigheden, terwijl Hij onder de boom Zijn eigen voeten wast met het water waarin is voorzien door Abraham, ‘de vriend van God’.

Dit is de eerste keer dat er in de Bijbel over voetwassing wordt gesproken en het is bijzonder veelbetekenend.

Het Evangelie naar Johannes stelt ons ‘de waarachtige God en het eeuwige leven’ voor, Die hier beneden in deze wereld zichtbaar was geworden; en hiervan vinden we een voorafschaduwing in Genesis 18: een bezoek door een Goddelijke Persoon. Het is ook in Johannes dat we lezen hoe de Heer Jezus water in een bekken goot en ‘… begon de voeten van de discipelen te wassen’ (Joh. 13:5). Abraham had gezorgd voor water voor zijn gasten, maar hij waste niet hun voeten. Maar in het Evangelie zien we Hem, die Jehova was, in de nederige gestalte van een dienstknecht, en Hij voorzag niet alleen in het water, maar waste ook de voeten van Zijn discipelen! Wat een waardevolle aanschouwelijke les van nederigheid en eenvoudige dienst voor ons eigen hart. Dit meest belangwekkende tafereel is bijzonder leerzaam en brengt op heel aangrijpende wijze de genade en nederigheid van onze Heer Jezus aan het licht.

Het is interessant om nog twee andere ‘Christofanieën’ te bespreken, die in de Schrift zijn opgetekend. Toen de aartsvader Jakob worstelde met een ‘Man’ (Gen. 32:24-30 vgl. Hos. 12:4), noemde hij de plaats Pniël, wat betekent ‘het aangezicht van God’. Op dezelfde manier verscheen ‘de Bevelhebber van het leger van de heere’ om Jozua kracht te geven. Jozua moest echter zijn schoenen van zijn voeten doen, omdat hij op heilige grond stond; en dit geeft aan dat er geen gewone ‘bevelhebber’ aan hem verscheen (Joz. 5:15)! Er bestaat dus geen twijfel over Wie het was Die een bezoek bracht aan Jakob, Jozua en Abraham.

Maar het is zo prachtig om te zien dat toen Jehova aan deze drie mannen verscheen, Hij kwam in precies die omstandigheden en situaties waarin deze mensen leefden. Abraham was een ‘pelgrim’ en Jehova verscheen aan hem als een vermoeide reiziger. Jakob was een worstelaar (zoals zijn naam en de omstandigheden rond zijn geboorte al aangeven, Gen. 25:26) en Jehova verscheen aan hem als een mysterieuze ‘worstelaar’. Jozua was een soldaat, de generaal van het leger van Israël, en Jehova verscheen aan hem als een militair bevelhebber met een getrokken zwaard.

Wat lijkt dat op de Heer Jezus. Hij kwam als Mens naar deze wereld en vereenzelvigde Zich met onze omstandigheden: ‘Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen’ (Hebr. 2:14). Hij was in elk opzicht volkomen ‘gescheiden van de zondaars’, toch ‘paste’ Hij ons (Hebr. 7:26).

Brian Reynolds

Dit artikel komt uit het boekje ‘Jezus is Jehova‘ en is verkrijgbaar bij de Stichting Uit het Woord der Waarheid.

Voetnoten   [ + ]

1.Het is een opmerkelijk feit dat in het Evangelie van Johannes de Heer Jezus er door Zijn tegenstanders van beschuldigd wordt een demon te hebben (zie 7:20; 8:48-52), maar in dit Evangelie staat nergens opgetekend dat de Heer een demon uitwierp, terwijl de Heer dat in de synoptische Evangeliën steeds weer doet.
2.Genesis 22:14
3.William Kelly, An Exposition of the Gospel of John, p. 189.
4.Zie hoofdstuk 2 uit het boek ‘Jezus is Jehova‘ onder het kopje ‘De Heerser Die geen begin had’ (de eerste alinea) en ook voetnoot 26 van dat hoofdstuk.
5.Een andere term die soms gebruikt wordt in plaats van ‘christofanie’ is ‘theofanie’. Maar sommige theologen gebruiken ‘theofanie’ om een algemenere manifestatie van God te omschrijven, bijvoorbeeld toen God aan Job verscheen in ‘een storm’ (Job 38:1) of aan Mozes op de berg Sinaï (Ex. 34:5; terwijl een ‘christofanie’ meer een bepaalde manifestatie is van Christus vóór Zijn vleeswording.