Het Vaderhuis

Naar aanleiding van een vraag over ‘het huis van Mijn Vader’, zou ik nog wat aantekeningen en een aanvulling willen geven, in het bijzonder wat betreft de hoedanigheid van dat Huis.

Hoewel ik het in grote lijnen met de drie punten in het tweede deel van het antwoord eens ben, meen ik dat het eerste deel veel te simplistisch is. Op deze wijze redenerend zou eenzelfde uitdrukking in de Schrift altijd hetzelfde betekenen. De samenhang bepaalt echter wat een uitdrukking in een bepaald gedeelte precies betekent, terwijl dezelfde uitdrukking in andere Schriftgedeelten daar natuurlijk wel licht op werpt, maar nooit exact hetzelfde is: de Schrift herhaalt zich nooit (vergelijk bijvoorbeeld ‘het begin’ in Gen. 1, Joh. 1 en 1 Joh. 1). Zo noemt de Heer Jezus de tempel in Joh. 2 ‘het huis van Mijn Vader’, omdat God deze plaats oorspronkelijk gegeven had en Zich in verbinding daarmee in genade had geopenbaard. Nu de Heer Jezus gekomen was, heeft God Zich als Vader geopenbaard, en geeft de Heer een diepere dimensie aan de beelden van het Oude Testament. De kamers die bij de tempel behoren zijn als het ware een schaduw van de verblijven van het huis waarvan Joh. 14:2 spreekt.

Daarnaast legt de Heilige Geest een verbinding tussen de tempel en het lichaam van de Heer: zonder de vleeswording van het Woord, zonder de komst van de Zoon in het vlees, Zijn leven hier op aarde tot verheerlijking van God, Zijn lijden en sterven en opstanding (en wat ons verstaan en ‘toe-eigenen’ van deze dingen betreft, Zijn verheerlijking en de komst van de Heilige Geest naar deze aarde), zou ‘het huis van mijn Vader’ voor ons onbekend en ontoegankelijk zijn.

Verder zou ik nog een aanvulling willen geven. Als de Schrift spreekt over een plaats waar God woont, wordt daarbij de nadruk gelegd op de Persoon Die daar woont. Met andere woorden: de waarde van de ‘plaats’ wordt bepaald door de kostbaarheid van de Persoon. Dat geldt nu (zie bijv. Joh. 1:39v; Mark. 14:22vv; Matth. 18:20), maar dat beginsel is ook van toepassing op andere ‘bedélingen’. Zodra het echter gaat om eeuwige zaken, wordt het eenvoudigweg iets dat ons bevattingsvermogen ten enenmale verre te boven gaat (zoals het antwoord aangeeft). Anderzijds heeft God ons deze dingen geopenbaard (de verborgen wijsheid, de diepten van God), zodat we de eeuwige dingen ‘zien’ (2 Kor. 4:18).

Ik zou in dit verband nog op 1 Tim. 3:16 willen wijzen: ‘opgenomen in heerlijkheid’. Er staat niet eis maar en in het Grieks: dus niet in de richting van de heerlijkheid, maar opgenomen in de heerlijkheid van Zijn Persoon. Waar Hij is, is heerlijkheid.

Maar in het Johannes-evangelie gaat het om een heerlijkheid die hier nog bovenuit gaat, als we zo mogen spreken. En zo zouden we kunnen zeggen: de heerlijkheid van het Vaderhuis is daar waar Hij is, zoals geopenbaard in het Johannes-evangelie.

Misschien kan deze kleine ‘aanvulling’ ook een aanmoediging zijn om ons te verdiepen in de studie van het Johannes-evangelie en de beschouwing van zijn Persoon.

A.E. Bouter